Gezamenlijke huishouding

We spreken van een gezamenlijke huishouding bij personen die gehuwd zijn of daaraan zijn gelijkgesteld.

Tenzij het gaat om:

  • een bloed- of aanverwant in de eerste graad (= ouders en kinderen, ook bij adoptie);
  • of een bloed- of aanverwant in de tweede graad (= grootouders, kleinkinderen, broers en zussen) wanneer er sprake is van een zorgbehoefte.

We spreken ook van een gezamenlijke huishouding wanneer:

  • beiden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning;
  • beiden eerder met elkaar gehuwd zijn geweest;
  • uit hun relatie een kind is geboren of erkenning van een kind heeft plaatsgevonden;
  • zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage in de huishouding middels een samenlevingscontract;
  • of wanneer er sprake is van (financiĆ«le) zorg voor elkaar.

Indien betrokkenen niet gehuwd zijn, geen kinderen samen hebben en er geen sprake is van een samenlevingscontract kan er alsnog sprake zijn van een gezamenlijke huishouding. Er moet dan worden voldaan aan de volgende 3 voorwaarden (artikel 3 lid 3 van de Participatiewet): 

  1. twee personen;
  2. die hoofdverblijf hebben in dezelfde woning;
  3. en er is sprake van (financiƫle) zorg voor elkaar.

Als er aan deze 3 eisen wordt voldaan dan is er sprake van gezamenlijke huishouding en geen kostendeler. Dit betekent dat bijvoorbeeld twee beste vriendinnen ook als gezamenlijke huishouding kunnen worden gezien in plaats van kostendelers. Gedegen onderzoek is in dit soort gevallen nodig.  

Gezamenlijke huishouding met twee of meer personen en de gevolgen voor de  AOW | PlusOnline