Wet Inburgering

Wat is de Wet Inburgering?

Mensen met een verblijfsvergunning die langdurig in Nederland komen wonen, moeten Nederlands leren en weten hoe de samenleving werkt. Dat heet inburgeren. Dit is geregeld in de Wet Inburgering (2013).  De Wet Inburgering wordt verder uitgewerkt in het Besluit Inburgering en de (Ministeriële) Regeling Inburgering. ​

Wie moet er inburgeren?

Wie er verplicht moet inburgeren hangt af van de nationaliteit. Dit is in de Wet Inburgering geregeld.
Wet Inburgering (2013), artikel 3, lid 1:
inburgeringsplichtig is de vreemdeling, die rechtmatig verblijf verkrijgt in de zin van artikel 8, onderdelen a en c, van de Vreemdelingenwet 2000, die:
1. anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft, of
2. geestelijke bedienaar is.
Een geestelijk bedienaar is een persoon die een geestelijk, godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt bekleedt.

Wie hoeft er niet verplicht in te burgeren?

Er zijn situaties waarin een persoon ontheffing/ vrijstelling kan krijgen van de inburgeringsplicht (art. 5 & art. 6 Wet Inburgering). Deze personen hoeven dus niet verplicht in te burgeren. 

  • Nieuwkomers onder de 16 jaar. Zij zijn leerplichtig en burgeren op die manier in.
  • Nieuwkomers die al naar een school gaan in Nederland (bijvoorbeeld voortgezet of hoger ​onderwijs). Wanneer dit leidt tot een diploma waaruit blijkt dat ze over voldoende kennis van de Nederlandse taal beschikken, dan hoeven zijn niet verplicht in te burgeren. 
  • Nieuwkomers die al 8 jaar onderwijs hebben gevolgd in Nederland. Van deze groep wordt gesteld dat zij voldoende zijn ingeburgerd.
  • Nieuwkomers die beschikken over Nederlandse diploma’s, certificaten of bewijsstukken van een bepaalde opleiding in de Nederlandse taal​.
  • Nieuwkomers boven de pensioengerechtigde leeftijd.
  • Nieuwkomers uit de EU, Zwitserland of een ander land dat partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
    Familieleden van nieuwkomers uit deze landen die zelf niet uit één van genoemde landen komen krijgen ook vrijstelling van de inburgeringsplicht.
  • Nieuwkomers die op een andere manier al kunnen aantonen voldoende ingeburgerd te zijn.
  • Nieuwkomers waarvan vanwege psychische of lichamelijke beperking, of verstandelijke handicap, niet verwacht kan worden om in te burgeren 
  • In schrijnende gevallen. Op basis van een hardheidsclausule kan een persoon vrijstelling krijgen van de inburgeringsplicht. 

Inburgeren in het buitenland

Voor sommige nieuwkomers begint het inburgeren al in het land van herkomst.
Dit geldt in de volgende gevallen:
1. Partners uit het buitenland.
2. Gezinshereniging van nieuwkomers.
3. Geestelijk bedienaren.

Deze groep moet het ‘basisexamen inburgering in het land van herkomst’ afleggen. Dit kan bij een Nederlandse ambassade of een consulaat-generaal. Nadat het basisexamen behaald is kan iemand een machtiging tot voorlopig verblijf aanvragen (MVV).

Inburgering voor geestelijke bedienaars

De inburgeringsplicht geldt voor geestelijken van alle religieuze richtingen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om: dominees, imams, priesters en rabbijnen. Het programma voor geestelijke bedienaren is anders dan voor andere inburgeraars. Geestelijke bedienaren spelen namelijk een belangrijke rol in het integratieproces. Zij vervullen een voorbeeldfunctie en soms adviesrol binnen hun geloofsgemeenschap en kunnen een brugfunctie vervullen tussen de geloofsgemeenschap en de Nederlandse samenleving. Om in te kunnen spelen op de verwachtingen die vanuit de geloofsgemeenschap en vanuit de Nederlandse samenleving aan hen worden gesteld, moeten zij beschikken over voldoende kennis van de Nederlandse taal en samenleving. Net als andere inburgeraars zullen ook geestelijke bedienaren het nieuwe inburgeringsexamen (met goed gevolg) moeten afleggen. Daarnaast gelden er voor geestelijke bedienaren aanvullende eisen voor de inburgering. 

De inburgeringscursus voor geestelijke bedienaren bestaat uit drie delen:​

  • Deel 1: een taalcursus (intensiever dan voor de reguliere inburgeringsplichtige);​
  • Deel 2: praktijkopdrachten in de regio van vestiging;​
  • Deel 3: thematische bijeenkomsten t.b.v. het opdoen van algemene en specifieke kennis van de Nederlandse samenleving. ​